... Terwijl ik mijn leven aan het opbouwen ben, brokkelt die van anderen langzaamaan af

Gepubliceerd op dinsdag 10 januari 2017








Met een pesthumeur ga ik in de trein zitten. Alles zit tegen voor mijn gevoel, ik voel me niet fit, het is koud, er viel net WEER een knoop van mijn jas (welgeteld voor de zevende keer in drie dagen tijd) en al met al is mijn bankrekening ook nog eens leeg. Dan maar geen Julia's pasta halen. Dit zijn van die typerende dagen die het label ''het leven is vandaag stom'' krijgen.

Schuin voor mij gaat een man op de treinstoel zitten. Ik schat hem eind 80. Niet dat ik goed kan schatten, maar nu ik veel ouderen ken zit ik vaak goed in de richting. Ik kijk op, geef hem een glimlach en doe mijn oordopjes in. De man blijft naar mij kijken. Of kijkt hij nou naar buiten? Ik let er niet op maar zie vanuit mijn ooghoeken dat zijn gezicht naar mij gericht is. Naast mij komt een oude dame zitten. Ik geef haar een glimlach maar wil verder niet in gesprek. Sorry, maar soms heb ik ook van die ''a-sociale momenten'' waarbij ik liever naar de stem van Lady Gaga luister dan naar gesprekken zoals ''wat is het koud hè''. Ik staar naar buiten en de motor van de trein gaat aan. De man staat op en pakt hij het Goede Reis! Magazine van Arriva van het bagagerek. Ha, grappig, ik heb daar ook een paar dingetjes voor mogen schrijven.

De trein begint te rijden.

Ik betrap mezelf erop dat ik naar de mensen in de coupé kijk en vanuit mijn ooghoeken zie ik veel beweging. De oude man lijkt zenuwachtig. Hij schudt continu zijn benen over elkaar, dan weer links, dan weer rechts. Zo gaat het door. Ook beweegt hij zenuwachtig op zijn stoel. Dan pakt hij een krantje, maar ook de bladzijdes worden ruw omgeslagen. Ik oordeel niet op mensen en op het gedrag van anderen en vraag me af wat er met deze beste man zou zijn. Wáárom gedraagt hij zich zo zenuwachtig? Wat zou deze man vandaag gedaan hebben? Heeft hij misschien een date? Ja, ouderen daten ook nog wel hoor, maar dat terzijde.

Buitenpost. Station Buitenpost. 

Ik sta op. De oude man ook. Hij moet er ook uit. Hij tikt een vrouw aan en vraagt of ze naar Kollum moet. Nee, zij niet. Dan kijkt de man mij aan en vraagt hetzelfde. Ik geef aan dat ik geen auto heb, maar dat de bus zo komt. De laatste bus van 18.48 uur, de bus van Buitenpost naar Kollum.

De mondhoekjes van de man krullen op en hij zucht opgelucht. ''Gelukkig. Ik was al bang dat ik niet meer thuis kon komen.''

''Oh, en anders had ik zo een kennis gebeld en had u mee kunnen rijden hoor!'' lach ik hem toe terwijl ik de trein uit stap. De man glimlacht naar me. We checken uit, gaan bij de bushalte staan en ik check voor de zekerste zekerheid of de bus komt. Ja, die komt. Vanuit de verte zie ik de koplampen van de bus al. Ja, gelukkig. Ook ík kan dus thuiskomen.

De man zucht.

Ik kijk hem vragend aan. Hij begint te vertellen. Zijn vrouw ligt in het ziekenhuis en het hij vreest het ergste. ''Ik ben maar weggegaan, anders had ik de laatste bus niet naar huis kunnen nemen. Iedereen is mobiel en hééft een mobiel, maar ik niet. Een taxi bellen kan dus ook niet. Ik ben bang voor het ergste, ze zijn al vanaf half drie met mijn vrouw bezig en het lukt allemaal niet. Vandaag na het eten viel ze zomaar om. Ik denk niet dat ze het redt.''

Hoe kan dit? Zijn wereld staat stil, maar alles om hem heen beweegt voort. De bus stopt voor ons, de deuren gaan open. Hij stapt in en ploft meteen op de stoel. Ik ga naast hem zitten.

''Het huishouden wil ook niet meer. Niks wil meer, ik verzorg haar al een tijd. Het lukt gewoon niet meer. En straks is ze er waarschijnlijk ook niet meer. En ik kan er niet eens bij zijn.''

Mijn hart breekt. Ongelooflijk, wat doet mij dit zeer. Deze lieve oude man heeft zijn hele leven opgebouwd met een vrouw waar hij nu niet eens bij kan zijn. Mocht ze vandaag daadwerkelijk 'gaan', dan kan hij er niet bij zijn. Ik baal al wanneer ik een vriendin een half jaar niet zie. Hij ziet zijn vrouw misschien nooit meer. Zijn ogen tranen, maar hij zegt dat hij slechtziend is. Hij probeert mij te overtuigen door te zeggen dat hij vanavond zijn ogen moet laten druppelen. Ik stel verder geen vragen maar vraag waar hij woont en schrijf de gegevens op, evenals zijn telefoonnummer. Hij vraagt verder niks.

De bus begint te rijden.

Onwerkelijk voelt dit. Ik voel me gewoon schuldig, omdat ik niks voor de lieve oude man kan betekenen. Ik mag niet vloeken, maar toch doe ik het in mijn hoofd. Verdomme, waarom heb ik nou geen rijbewijs? Dan had ik de auto van mijn ouders of wie dan ook gepakt en de man naar het ziekenhuis gereden. Net zo lang gewacht tot er duidelijkheid zou zijn. Ja, dat zou ik doen, echt waar. Ik probeer die gedachten weg te schuiven want ik kan er niks aan veranderen. Het is zoals het is. Ik heb geen rijbewijs en kan er niet eentje toveren. Ik probeer het gesprek een positieve wending te geven door te benadrukken dat zijn vrouw in het ziekenhuis is waar alle medische specialisten zijn, dus dat alles beter is dan thuis.

Hij schudt zijn hoofd en zegt wederom: ''ik vrees het ergste''.

We zijn in Kollum. Ik loop door de rijdende bus naar de buschauffeuse en vraag of de bus ook voor zijn huis kan stoppen. Ze heeft het hele gesprek opgevangen en zal dit doen. Lief van haar.

''Werk je?''

Hij probeert overduidelijk afleiding te zoeken. Ik vertel dat ik nog studeer maar momenteel stage loop. Dan bedenk ik me ter plekke dat ik mijn leven aan het opbouwen ben, terwijl die van hem langzaamaan afbrokkelt...

Ik ben vlakbij mijn halte. Shit. Ik kan met de man meegaan naar huis, maar wie zegt dat hij dat wil? Wat moet ik doen? Drukken op stop of met hem meegaan? Ik besluit op stop te drukken, want we kennen elkaar niet eens, ook al heb ik zijn contactgegevens.

Ik wens hem sterkte en beloof hem vanavond nog te bellen. Hij lacht. ''Wat als ik niet opneem?'' Ik lach terug en zeg: ''ik probeer net zo lang tot u wél opneemt.'' Ik wens hem sterkte.

De buschauffeuse is blij met wat ik deed. Ik ga niet in details treden, maar ik bedank háár juist omdat ze de man voor zijn huis af gaat zetten. Haar woorden dringen niet eens tot mij door omdat helpen waar het kan, praten en luisteren voor mij vanzelfsprekend is. Wat nou ''wat ben jij een goed mens'', ik doe wat ik moet doen. Klaar.

De bus rijdt verder. Ik kijk om. Mijn hart huilt, en ik huil.

Lief leven, je bent niet stom. Soms ben je wel een bitch, maar het leven is te mooi om stom te zijn, het kan zomaar over zijn. Terwijl ik mijn leven aan het opbouwen ben, brokkelt die van anderen langzaamaan af.