Dingen die ik denk wanneer ik in de bus zit

Gepubliceerd op vrijdag 12 februari 2016

Elke dag moet ik reizen met de bus. Het heeft leuke, maar ook minder leuke kanten. Al met al ben ik wel erg blij dat de overheid mij sponsort door middel van een studenten OV. Ik deel een paar dingen die ik denk wanneer ik in de bus zit.

Zometeen weer een uur in die bus. Kan dat niet sneller?

Daar komt de bus. Waar zal ik zitten?

Waarom kijkt iedereen je zo aan als je de bus in stapt? Ik ben geen celebrity hoor, en ik loop al helemaal niet op de rode loper.

Zijn we hier nog maar? Wat gaat de tijd sloom.

10 minuten later: oh, zijn we hier al? Wat gaat de tijd snel!

Dat huisje is zo mooi he! 


Zijn we er al bijna?

Snackbar het hoekje. Originele naam. Ironisch.

Hé, die narcissen zijn ook al bijna dood. Ze hebben hier 3 weken in bloei gestaan.

Waarom hebben ze die bomen gekapt? 

Rijd toch door auto.

Ik denk dat de mevrouw met de rode jas straks ook bij de halte staat. Ze neemt altijd dezelfde bus.

De halte daarna stapt vast die jongen met de krullen in. 

Oh, het wordt druk. Misschien moet ik maar eens mijn tas van de stoel halen zodat er iemand hier kan zitten.

Willen ze niet naast mij zitten? Zie ik er eng uit? Heb ik teveel parfum op? Stink ik?

Ik hoop niet dat zij naast mij komt zitten.

Oh, gezellig. Ze zit toch naast me. 

Ik word ongelooflijk moe van een busrit. Knap dat de buschauffeur, die overigens de hele dag moet werken, niet moe wordt. 

Zou hij blij zijn met zijn werk?

Zou hij kinderen hebben?


Dat meisje heeft leuke muziek op.

Waarom houdt de buschauffeur de deur zo lang open? Het is koud! 

Doet de kachel het wel?

De volgende halte moet het meisje voor mij eruit, want dat moet ze altijd.

Waarom doen mensen hun jas uit in de bus?

Wat zou dat meisje studeren? Ze heeft heel veel boeken in haar tas.

Hoe kun je als meisje in godsnaam je make-up doen in de bus? Dat vind ik knap.


Waarom zeggen heel veel mensen geen goedendag als ze de bus in stappen? 

Laat staan dankjewel zeggen wanneer ze de bus verlaten?

Oh, ik moet er bijna uit. 

Zal ik drukken, of drukt iemand anders?

Laat ik toch maar drukken.

Zal ik dankuwel of dankjewel zeggen? De buschauffeur ziet er niet zo oud uit. 

Ik denk dat ik toch maar bedankt ga zeggen. Kan altijd.

Bedankt! 

Bah, die kou in.

Bus rijdt weg: Zat ik toch maar weer in die warme bus.